Het kind in Vlaanderen 2019

Het kind in Vlaanderen 2019

Agentschap Opgroeien lanceert zijn jaarlijkse rapport ‘Het kind in Vlaanderen’.

Story image

 

Dit rapport bundelt talrijke cijfers over kinderen en hun leefsituatie. Het wordt aangevuld met online dashboards met regionale en lokale cijfers. “Met dit rapport en de lokale dashboards delen we elk jaar een schat aan informatie met andere overheden en alle partners die mee bouwen aan kansrijk opgroeien in Vlaanderen. Samen maken we het grootste verschil, voor elk kind en elk gezin”, aldus Katrien Verhegge, administrateur-generaal van Opgroeien.

Aantal kinderen, aantal geboorten en de prognoses voor de volgende jaren

Op 1 januari 2019 telde Vlaanderen 1.277.456 minderjarigen, dat is 19,4% van de Vlaamse bevolking. Het totaal aantal minderjarigen neemt al sinds 2005 toe.

In de loop van 2019 registreerde Kind en Gezin 64.698 geboorten bij moeders met een woonplaats in het Vlaamse Gewest. Dat zijn er 638 minder dan in 2018, een daling met 1%. Het is van 2004 geleden dat er in Vlaanderen volgens de telling van Kind en Gezin minder dan 65.000 kinderen geboren werden.

In de provincies Vlaams-Brabant (+1,3%) en Limburg (+1,1%) neemt het geboortecijfer in 2019 toe. In de andere provincies daalt het. De daling is het sterkst in Oost-Vlaanderen met 3,1%.

Volgens de meest recente geboorteprognoses van het Planbureau blijft het aantal geboorten  onder de 69.000 voor de periode 2020-2030. Er wordt een stijging tot en met 2024 verwacht en daarna een afname tot 2029.

Voor 2025 verwacht men voor het Vlaamse Gewest 1.316.085 kinderen van 0 tot 18 jaar, dat zijn er 39.329 meer dan in 2019. Vooral het aantal kinderen tussen 12 en 18 jaar zal de komende jaren toenemen. De stijging zal zich wel niet verder doorzetten, want in 2030 ligt het voorspelde aantal minderjarigen opnieuw wat lager dan in 2025.

 

Story image

 

Kenmerken van de borelingen en hun ouders

Er worden in 2019 meer jongens dan meisjes geboren (51% versus 49%).

71% van de kinderen heeft bij geboorte een moeder tussen 25 en 35 jaar. 1% van de kinderen heeft een moeder jonger dan 20 jaar, 3% een moeder ouder dan 40 jaar. Van de eerstgeboren kinderen heeft bijna 60% een moeder jonger dan 30 jaar.

44% van de kinderen is het eerste kind van de moeder, 35,5% het tweede en 20% was een derde of volgend kind. Het aandeel eerstgeborenen ligt in 2019 hoger. Het aandeel derde en volgende kinderen ligt in 2019 iets lager dan in 2018. Deze evoluties in de pariteit van de borelingen lijken te wijzen op een impact van de invoering van het Groeipakket op 1 januari 2019. Het lijkt erop dat sommige gezinnen die nog een derde of volgend kind planden, dat vooral in 2018 al kregen en dat sommige gezinnen die nog aan kinderen moesten beginnen, dat uitstelden naar 2019.

Bij 30% van de kinderen geboren in het Vlaamse Gewest in 2019 is de taal tussen moeder en kind niet het Nederlands, een toename met 1 procentpunt tegenover 2018. Frans is de meest gebruikte andere taal (6%). Arabisch en Turks komen respectievelijk op de tweede en derde plaats.

Meer dan 94% van de borelingen in het Vlaamse Gewest kreeg een huisbezoek van Kind en Gezin. 91% van de borelingen had minstens 1 consult gedurende de eerste 3 levensmaanden.

Nationaliteit en herkomst van minderjarigen

1 op de 10 minderjarigen in het Vlaamse Gewest heeft niet de Belgische nationaliteit. Het aandeel kinderen met een andere nationaliteit is sinds 2003 meer dan verdubbeld.

61% van de minderjarigen met een andere nationaliteit, heeft een nationaliteit van een ander EU-land (waarvan 29% een nationaliteit van 1 van onze buurlanden) (cijfers 2017). De grootste groep kinderen met een niet-EU-nationaliteit komt uit Azië. 5,7% van de kinderen heeft de Turkse nationaliteit of komt uit een Maghreb-land.

29% van de kinderen geboren in 2019 heeft een moeder die bij haar geboorte niet de Belgische nationaliteit had. Dat is een stijging van bijna 1 procentpunt tegenover 2018. De meest voorkomende andere geboortenationaliteiten van moeders zijn Marokkaans (4,5%), Nederlands (2%), Turks (2%) en Roemeens (2%).

Door de nationaliteit én geboortenationaliteit van beide ouders mee te bekijken, weten we dat eind 2017 meer dan 35% van de kinderen een andere herkomst had, vooral van buiten de Europese Unie (23%). Provincie Antwerpen kent het grootste aandeel kinderen met een andere herkomst (44%), West-Vlaanderen het laagste aandeel (20%).

Kinderen en hun gezinscontext

De meeste minderjarigen (83%) leven in een tweeoudergezin, 14,5% woont in een eenoudergezin. De cijfers blijven al enkele jaren nagenoeg stabiel, maar er is wel een duidelijk verschil naargelang de leeftijd van de kinderen. 8% van de kinderen jonger dan 3 jaar leeft in een eenoudergezin, bij de 12- tot 18-jarigen gaat het om 19%.

91,5% van de kinderen jonger dan 18 jaar heeft ten minste 1 ouder die aan het werk is (cijfers 2017). 4% leeft in een gezin zonder werkende ouders. Het aandeel kinderen met minstens 1 werkende ouder ligt lager bij kinderen van niet-Belgische herkomst.

63% van de kinderen woont bij 2 ouders die allebei aan het werk zijn. 5,5% van de kinderen leeft in een gezin waarin minstens 1 ouder werkzoekend is.

11% van de kinderen jonger dan 18 jaar leeft in een gezin waar de werkintensiteit lager is dan 25%. Dit betekent dat de ouders in die gezinnen maar een beperkt aantal maanden van het totale aantal maanden in dat kalenderjaar gewerkt hebben. 56% leeft in een gezin met een hoge werkintensiteit van 75% of meer.

Kinderen en de inkomens- en armoedesituatie van het gezin

Eind 2017 groeit bijna 34% van de kinderen op in een gezin met een bruto belastbaar gezinsinkomen groter dan 65.000 euro. Heel wat kinderen hebben het financieel minder goed. Zo leeft 23% in een gezin met een bruto belastbaar gezinsinkomen van maximaal 30.000 euro, meer dan 7% zelfs onder de 15.000 euro.

Niet alle kinderen stellen het even goed op materieel en financieel vlak. Dat blijkt ook uit andere en meer recente cijfers:

  • In het Vlaamse Gewest heeft 14% van de kinderen jonger dan 5 jaar recht op een verhoogde tegemoetkoming in de ziekteverzekering. Bij 15- tot 20-jarigen loopt het aandeel op tot bijna 17%.
  • De kansarmoede-index 2019 voor het Vlaamse Gewest bedraagt 14% en ligt op hetzelfde niveau als in 2018. Kansarmoede komt wel meer voor bij kinderen waarvan de moeder bij haar geboorte niet de Belgische nationaliteit had (33% versus 6% bij kinderen met moeder van Belgische origine). In de provincie Antwerpen ligt de index met 18% het hoogst, in Vlaams-Brabant het laagst met 8,5%.
  • 11% van de kinderen onder de 18 jaar heeft een verhoogd armoederisico (cijfer 2016-2018). Het cijfer voor België ligt bijna dubbel zo hoog als dat van het Vlaamse Gewest. Vlaanderen situeert zich internationaal midden de landen met het laagste armoederisicocijfer (Denemarken, Tsjechië en Finland).
Story image

Prematuriteit en borstvoeding

In 2019 wordt 8% van de kinderen prematuur (zwangerschapsduur <37 weken) geboren. Dat cijfer is al jaren stabiel. 1% van de levend geboren kinderen kent een zwangerschapsduur van minder dan 32 weken.

Kind en Gezin vraagt in de contacten met gezinnen naar de voeding die het kind krijgt op 5 tijdstippen in het eerste levensjaar.

  • 79% van de kinderen geboren in 2019 krijgt vanaf de geboorte uitsluitend borstvoeding. In Vlaams-Brabant ligt het percentage het hoogst (83%), in West-Vlaanderen het laagst (72%).
  • Kinderen met een moeder van niet-Belgische origine krijgen vaker uitsluitend borstvoeding op dag 6 na de geboorte dan kinderen met een moeder van Belgische origine.
  • Op de leeftijd van 6 weken krijgt nog minder dan de helft (49%) van de kinderen uitsluitend borstvoeding. Na 12 levensweken krijgt de helft van de kinderen geen borstvoeding meer. Op 26 weken krijgt 13% nog uitsluitend borstvoeding, bijna 7 op de 10 krijgt geen borstvoeding meer.

Verontrusting en kindermishandeling, verwaarlozing en misbruik

Voor het eerst legt het nieuwe agentschap Opgroeien cijfers uit diverse bronnen samen om een beeld te schetsen van het aantal kinderen dat gemeld wordt voor vermoedens van kindermishandeling of verwaarlozing en andere verontrustende situaties (VOS), waarbij de ontwikkelingskansen en/of integriteit van de minderjarige bedreigd is.

Meldingen over (vermoedens van) kindermishandeling en verontrusting komen in Vlaanderen immers bij diverse organisaties terecht:

  • Voor burgers bestaat een centraal telefoonnummer – 1712 – voor alle mogelijke situaties van geweld.
  • Daarnaast ontvangen vertrouwenscentra kindermishandeling (VK’s) en ondersteuningscentra Jeugdzorg (OCJ) meldingen vanuit professionele zorg- en hulpverleners.

    Bij OCJ gaan alle meldingen via de procedure ‘maatschappelijke noodzaak’ (MANO) waarbij aanmelders het OCJ aangeven dat ze vermoeden dat het maatschappelijk noodzakelijk is dat de overheid ingrijpt in de verontrustende situatie.

    Meldingen bij een VK kunnen niet alleen via MANO-procedures, maar ook algemeen wanneer de melder vermoedt dat er sprake is van kindermishandeling, verwaarlozing of misbruik.

    OCJ en VK’s kunnen  dossiers overmaken aan het parket. Het parket kan dan een jeugdrechter vorderen. Bij die gerechtelijke dossiers is er begeleiding door de sociale diensten jeugdrechtbank (SDJ).

In de loop van 2019 werden er bij de VK’s 8.920 unieke kinderen gemeld, waaronder meer dan 1000 MANO-meldingen. Het gaat in 33% van de gevallen om vermoedens van emotionele mishandeling/verwaarlozing, in 29,5% om (vermoeden van) lichamelijke mishandeling/verwaarlozing. Bij OCJ gaat het om iets minder dan 5.000 kinderen gemeld voor maatschappelijke noodzaak (MANO), bij SDJ om 3.331 kinderen. Bij 1712 gingen 4.411 oproepen over minderjarigen.

Tegenover 2018 is er een stijging van het aantal meldingen en het aantal gemelde unieke kinderen, bij VK’s (+3%), OCJ (+6,5%) en SDJ (+5%).

Hoewel deze cijfers niet opgeteld mogen worden, tonen ze wel aan dat heel wat kinderen een ernstig verontrustende situatie kenden. Voor meer dan 6.000 kinderen werd een MANO-procedure gestart. Dit betekent dat de melder vermoedde dat een tussenkomst van overheidswege noodzakelijk was in het belang van de minderjarige.

De stijging in het aantal meldingen kan zowel wijzen op een toegenomen probleem, maar ook op een verhoogde alertheid en/of verhoogde kennis over de rol van VK en OCJ.

  • Bij VK’s is er een toename van het aantal meldingen uit de sector Gezondheidszorg. Deze stijging komt er nadat eind 2018 in de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) voor ouders met een psychische of verslavingsproblematiek de Kindreflex werd geïntroduceerd. Dit is een stappenplan dat hulpverleners ondersteunt om bij alle cliënten ouderschap bespreekbaar te maken en onveiligheid van kinderen te detecteren en aan te pakken. De toename van het aantal meldingen uit de sector gezondheidszorg lijkt er op te wijzen dat de Kindreflex al in 2019 toegepast werd.
  • Bij SDJ is er een toename van het aantal hoogdringende situaties.

Andere, meer lokale cijfers

Het rapport ‘Het kind in Vlaanderen’ wordt aangevuld met tal van grafieken en dashboards op de cijferpagina van de website. De gegevens over kansarmoede, origine en taal en gezondheid zijn ook beschikbaar op gemeentelijk niveau.

Lokaal dashboard kansarmoede (Kind en Gezin)
Lokaal dashboard kansarmoede (Kind en Gezin)

Meer informatie

Nele Wouters
Nele Wouters Woordvoerder Kind en Gezin, Opgroeien

 

 

Over Opgroeien

Sinds april 2019 vormen Jongerenwelzijn, Kind en Gezin en een deel van het aanbod van het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (VAPH) samen het nieuwe agentschap Opgroeien. De missie van Opgroeien is het recht op kansrijk opgroeien realiseren voor élk kind, élke jongere en hun gezinnen in Vlaanderen. 

Opgroeien
Hallepoortlaan 27
1060 Brussel